home
 
vertellen          

contact                     









            





verhalen

        symboliek
markt

verhalen


Het Land van de Onsterfelijkheid


Er was eens, waar was het niet, er was eens een koning die een zoon had, een mooie jongeling. Maar de oude koning had niet veel geluk in zijn enige zoon. Want de koningszoon was altijd bedroefd gelijk het regenweer van drie dagen, ondanks de vele jachtpartijen, drinkgelag en allerlei blijspelen: een levende mens zag de koningszoon nog nooit lachen. De oude koning was verdrietig, hoe zou die dat wel niet zijn. Wat zou dat worden, zijn enorm grote koninkrijk als die dit immens droevige jongen ten dele valt.

Hij viel hem voortdurend lastig met vragen:

- Wat mankeert je mijn lieve zoon? Vertel je vader!

Maar de jongen haalde alleen zijn schouders op en gaf geen antwoord. Daarna had hij hem weggestuurd, laat hem maar de wijde wereld zien, maar hij keerde nog bedroefder thuis.

Op een keer had hij hem toch verklapt wat hem op zijn hart drukte. Hij zei:

- Ik ben bang voor de dood, en ik kan zolang niet rusten tot ik het land van de Onsterfelijkheid vindt.

- Oh mijn ziel, mijn kind - zei de oude koning - waar dwaalt je verstand! Er bestaat zo een land op heel de ronde wereld niet. Overal worden mensen geboren en sterven er mensen.

- Het maakt niets uit, ik ga zover dat ik te weten kom: bestaat die of niet? Als er niet is dan niet, God geve, laat me dan ook sterven.

Hij had drie paar ijzeren mocassins laten maken, had er ene direct aangetrokken en twee in zijn ransel gezet, hij had zijn kromzwaard aan zijn zij gebonden en dan mooi afscheid genomen van zijn vader. Huilde de stokoude koning, hij huilde bittere tranen. Met zijn halve been al in de kist, ziet hij zijn enige zoon in dit leven zeker niet meer terug. Huilt de jongen ook, maar hij vertrok.

Hij liep, wandelde door bergen en valleien, en ineens kwam hij aan bij een zo grote berg, dat de top ervan juist tot de hemel reikte. De koningszoon dacht: misschien aan de overkant van deze berg is het Land van de Onsterfelijkheid. Wat anders kan er zijn achter deze: of het einde van de wereld, of het Land van de Onsterfelijkheid. Hij had zijn mocassins goed aangebonden en ging op weg naar de berg. Zeven dagen en zeven nachten ging hij voortdurend, maar hij kwam nog niet tot halverwege de berg. Hij ging onder een boom zitten en viel in slaap. Hij droomde dat een oude grijsaard tot hem kwam en tegen hem zei:

- Ik weet goed, wat je hier komt zoeken, koningszoon. Ga maar naar bovenop deze berg als je je doel wil bereiken. Ver, heel ver is het vandaar ook nog waarnaar je verlangt, maar je bent nog jong, je kandaar nog aankomen. Oh, als ik niet zo oud hieraan begon, was ik misschien daar geraakt. God zegen je!

En hierop verdween de oude grijze man en de koningszoon werd wakker. Zodra hij zijn ogen opende herinnerde hij onmiddellijk zijn droom. Hij had er lang over nagedacht, hij bad ernstig, had zijnmocassins aangetrokken en trok verder. Wanneer hij zeven dagen en nachten ononderbroken had gegaan kreeg hij de top van de berg in hetoog, en scheen hem daar iets mensachtig te bewegen. Hij ging dichter en dichter. Eerst was het zo groot wat hij zag bewegen als mijnvuist, daarna groeide en groeide en dus het werd een grote reus. In zijn handen had hij zo een grote schop als het dak van een huis, endan nog een handkar naast hem zo groot als een kerk. De reus groef, groef de top van de berg, en de aarde gooide hij in de handkar. Eerst was de koningszoon bang dat hij hem ook nog in de handkar gaatgooien, maar toch naderde hij en groette hem:

- God geve U een goede dag, meneer!

- God geve, je nietig mensje - ontving de reus hem - waar loop je hierwaar de vogel ook niet loopt?

De koningszoon antwoordde:

- Ik, waarlijk mijn lieve broer reus, ben op zoek naar het Land van de Onsterfelijkheid, want ik wil nooit sterven.

- Dan ben je hier op het juiste plaats: als je hier blijft en met me werkt kan je net duizend jaar lang leven. Want ik ben vervloekt om zolang niet te sterven dat ik deze berg wegruim, en dit duurt juist duizend jaar.

- Oh - zuchtte de koningszoon - wat is duizend jaar voor me, ik wil leven zolang de wereld bestaat, oneindig en nog twee dagen!

- Laat maar, broertje - zei de reus - duizend jaar is ook genoeg van het leven.

Maar zus en zo, redeneerde, filosofeerde de koningszoon, voor hem is dat niet genoeg.

- In orde - zei de reus - ik zie dat met jou niet wijs valt te praten, gadan, jij zonderlinge jongen, ik weet wel dat je tevergeefs gaat. Maar toch, zie, ik geef je een koperen hoefijzer, en zo nodig op de grond,of in de lucht als je snel ergens naar toe wilt, zet maar gewoon op je mocassin en je zal direct zijn waar je wil.



De koningszoon dankte voor het geschenk, nam afscheid van de reus enging verder. Zodra hij aan de voet van de berg kwam dacht hij: waarom zou hij de mocassin verslijten? Hij had de koperen hoefijzer eropbevestigd, en ineens - hup, glipte hij de lucht in, omhoog, hemelwaarts, nog hoger dan de sterren, en hij vloog zo lang, zo langvloog hij dat hij boven een land terechtkwam waar zelfs het gras zwart was.

"Mijn God, Vader - dacht de koningszoon - er kan toch grote rouw beneden in die land zijn, zodat zelfs het gras is rouwzwart daar. Ik zal maar toch gaan kijken wat gebeurt daar?"

Daarmee daalde hij steeds lager en lager, en hij landde precies op de hof vaneen grote zwarte burcht. Overal, door en door was het geheel bekleedt met zwarte lakens, zelfs de gouden hek, de muur van de burcht, vanafde grond tot de toren van de burcht. Hij ging naar de muur van de burcht, tilde de rand van het laken op en zag dat de burcht wasopgetrokken enkel van diamant en goud. Dus, dacht hem, hier kan geen ander mens wonen dan een koning. Maar hoe dan ook, ik ga binnen, laatme zien wie er binnen is. Hij gaat binnen en direct komt hij in een enorm grote zaal terecht.

De grond van deze zaal was helemaal volgeprikt met naalden, maar zo, dater een meer kon worden bij geprikt. Alleen in het midden was een beetje plaats, daar zat een zeer mooie meisje die zwarte rouwkledijnaaide. De koningszoon stopte, zijn mond viel open van verbazing, want hij reisde veel in de wereld rond maar zoiets wonderbaarlijkshad hij nog nooit gezien. Hij groette stamelend:

- God geve U een goede dag, je mooie schoonheid!

- God geve U ook een goede dag koningszoon, want ik zie aan jou gezichtdat je dat ben. En ik ben een koningsdochter, maar er is geen dank aan. God heeft me gestraft, ik ben vervloekt. De koning vanBlauweland wou me tot vrouw nemen, en ik wou zo dat hij me nog meer zou liefhebben, kleding uit dauw laten maken. Zoveel meisjes er maarwaren in het land van mijn vader, zijn allemaal hieraan gestorven, geen één kon de dauwkleding maken. Toen ik het laatste meisje hadlaten brengen, had deze me vervloekt, dat ik zolang zou leven tot ik deze vele naalden zou hebben versleten. De vloek rust op me, en numoet ik tweeduizend jaar lang leven.

De koningszoon zei:

- Wat is dat, tweeduizend jaar! Zie, schone koningsdochter, ik zoek zoeen land waar de mensen voor altijd leven.

- Oh, jij ongelukkige - zei het meisje - zo een land bestaat niet op dewereld. Het is beter als je hier blijft bij mij, hier kan je tot tweeduizend jaar leven.

Maar de koningsdochter sprak tevergeefs, op de koningszoon had die geen vat.

- Goed zo dan, als je echt wil gaan, hier, ik geef je een ring, doe dieom je vinger, en als je iets wil, draai er maar eraan, je wens wordt dan onmiddellijk vervuld.

De koningszoon dankte voor het geschenk, wenste goed werk voor hetmeisje en ging verder. Er waren al twee paar mocassins kapotgegaan, de derde moest hij aantrekken. Hij ging zolang dat ook de derde paarmocassins al zo ver kapot was dat hij bijna niet meer erin kon lopen. Toen herinnerde hij zich het koperen hoefijzer: waarom moet hijlijden, terwijl hij kan vliegen. Hij had de koperen hoefijzer opnieuw aan zijn mocassin bevestigd, en vloog zolang tot hij bij een groterivier aankwam. Boven de midden van deze rivier hing een enorm grote kasteel in de lucht.

"Jeetje - dacht hij - ik vlieg hierin, laat zien, wat is erin."

Maar hij had zich tevergeefs ingespannen, een soort sterke wind stak op, en voerde hem terug telkens hij tegen het kasteel vloog.

"Wacht maar, wind - dacht de koningszoon - wie niet sterk is moet slim zijn!" Hij draaide één keer de ring rond, en dacht eraan dat hij graag een gouden brug wou vanaf de oever van de rivier tot aanhet poort van het kasteel. Onmiddellijk werd zijn wens vervuld. Hij had de brugleuning sterk vastgehouden en zolang ook niet losgelaten tot hij door de poort van het kasteel binnen stapte. Maar nu kwam pas een echte vechtpartij. Drie draken en drie leeuwen verspreidden zijn weg. Als hij nog één stap doet is hij morsdood.

- Zwaard, uit de schede! - dacht de koningszoon, en draaide een keeraan zijn ring. Ineens had hij schede en ook zwaard, maar de schede aan zijn zij, en de zwaard in zijn hand. Zo, nu tegen dieKerberossen! Hij zwaaide naar rechts, en links, maar zodra hij de kop van de ene of andere draak afsneed, groeide er direct een andere inde plaats. Hij was zo moe geworden in dit nutteloos gevecht dat zijn arm knakte en hij liet zijn zwaard zakken.

- Terug! Terug! - riep nu iemand, en de draken en ook de leeuwentrokken zich ineens terug als tamme lammetjes. De koningszoon keek op, wie had toch die Kerberossen gedwee kunnen maken, welnu, er stondboven in de deuropening van het kasteel, waar precies 700 treden naar boven leidden, een wonderschone vrouw, zo ene die hij nog nooit vanzijn leven niet had gezien. Onmiddellijk rende hij naar boven naar haar toe, groette haar beleefd, en betuigde zijn dank omdat zij zijn leven had gered.

- Wel - vroeg de mooie vrouw -, hoe kom je hier, waar behalve mij geen geschapen ziel is?



De koningszoon vertelde wie hij is en wat hij komt zoeken.

- Zo - zei de vrouw - je kwam op het juiste plaats terecht, want ik ben de koningin van de Onsterfelijkheid, en degene die tot bij mijn kasteel raakt, zal voor altijd leven. Blijf hier bij me, ik vind het niet erg.

Nu, was de koningszoon helemaal gelukkig. Zijn grote bedroefdheidveranderde in enorme blijdschap, en leefde zo vrolijk dat vrolijker zelfs in het paradijs nog niet kan.

Nou, de tijd ging voorbij! Duizend, tweeduizend, drieduizend jaren gingen voorbij. En voor hem was het juist alsof maar één, twee, drie jaar was. Op een keer wat dacht hij, wat niet, hij zei tegen de koningin van de Onsterfelijkheid:

- Majesteit, mijn koningin, als je toestemming geeft, ik ga voor één á twee dagen naar mijn rijk, en breng een bezoek aan mijn vader.

De koningin schaterlachte, zodat het kasteel ervan tinkelde.

- Wat zeg je me daar !? Wil je naar huis gaan naar je vader? Weet jewel hoeveel jaar geleden je van thuis vertrok? Juist drieduizend jaar geleden. Je vind alleen de stoffelijke resten van je vader.

Nu, veranderde zijn grote vreugde terug in bedroefdheid! Wat kan hem heteeuwige leven schelen als hij zijn vader nooit meer kan terugzien?

De koningin kreeg medelijden met hem, en leidde hem naar een donkere kamer. Daar opende zij een valluik, nam een gouden kruik eruit, en gaf die aan de koningszoon.

- Hier, pak aan, deze kruik zit vol levensdrank. Op wie je van deze dranksprenkelt, die staat op uit de dood, hoe lang geleden die ook stierf. Wek je vader uit de dood, maar neem dan ook direct afscheid van hem,want lang kan je niet in het land blijven, als je nog wil leven.

De koningszoon had het koperen hoefijzer op zijn voet bevestigd, nam afscheid van de koningin, en beloofde dat hij terugkeert, en dan hup, vloog als de gedachte. Hij had nog niet eens met zijn ogen kunnen knippen, en direct was hij in het land van zijn vader. Mijn God, hoe was dit land veranderd. Hij herkende het amper. Het koninklijke paleis was ook niet zo als vroeger, in zijn tijd. Ik geloof het wel, drieduizend jaar is heel veel tijd. Hij landde op de binnenplaats en ging direct naar de grafkelder. In de deuropening daarvan zat een oude grijze man, met in zijn handen een enorm grote boek. Hij groette de man, en vertelde wat hij kwam doen.

- Oh mijn lieve zoon, in dit boek is de naam van jouw vader ook zeker in geschreven, maar waar, dat weet God alleen.


Hij zocht de hele dag, tot hij het had gevonden. Hij wees met zijnvinger:

- Hier is het. Juist drieduizend jaar geleden is hij gestorven. Kom nu maar met me mee!

En hij begeleidde de koningszoon van de ene kamer naar de andere, er waren er daar wel duizend, tot zij uiteindelijk de kist vonden. De koningszoon haalde de gouden kruik tevoorschijn en wou juist de kist besprenkelen, wanneer ineens iemand achter zijn rug begon te preken:

- Aha! Hier ben je! Ik zocht je juist!

De koningszoon draait zich om, en de Dood stond voor hem, met zijn zeis in zijn handen. De koningszoon vroeg:

- Wat wil je van me?

- Wat? Was het nog niet genoeg dat je je drieduizend jaar lang schuilhield voor me? Nu wil je nog ook je vader tot leven wekken? Je komt met me mee nu!

- Ik ga niet! - zei de koningszoon.

- Jawel, je komt zeker! - riep de Dood, en begon te worstelen met de koningszoon.

Op de een of andere manier kon hij toch ontsnappen uit de handen van deDood, en dan hup, glipte hij uit de grafkelder, en de Dood achter hem. Toen vloog de koningszoon als de snelle storm, de Dood overal opzijn hielen, maar die kon hem niet te pakken krijgen. Hij geraakte al tot het Land van de Onsterfelijkheid, en wou juist binnen stappendoor de deur van het kasteel van de koningin, maar hij kon alleen met zijn ene voet binnenstappen, de andere pakte de Dood vast. Dekoningin van de Onsterfelijkheid liep ernaar toe, pakte de koningszoon vast en trok hem naar binnen.

Maar de Dood liet het niet. Zij hadden lang geworsteld, ze trokken de koningszoon naar hier en naar daar, maar opeens zei de koningin:

- Luister, Dood, waarom moeten we deze arme jongeman pijnigen, nog scheuren wij hem in tweeën, dan heb je er ook geen plezier in. Ik zal iets zeggen. Ik gooi hem tot de sterren, en als hij buiten de binnenplaats van het kasteel terugvalt, zou hij van jou zijn, als binnen, wordt hij van mij.

- In orde - zei de Dood - jou wil geschiedde.

Nu pakte de koningin de koningszoon vast en gooide hem weg, hij vloog zonaar boven dat hij met zijn hoofd juist tegen de sterren stootte. Van daaruit keerde hij en viel naar beneden.


Terwijl hij viel, lager en lager, waren de Dood en de Onsterfelijkheid aan het ruziën, wie van hun tweeën hem zal krijgen.

- Ik wed dat hij naar buiten valt - zei de Dood. - God geve, dat ie naar binnen valt - bad de koningin.

En God verhoorde haar smeken. Hij viel binnen juist voor haar voeten. De Dood gromde een keer, daarna draaide hij zich om en ging er vandoor, zodat ze hem nooit meer hadden teruggezien. En sindsdien leeft dekoningszoon gelukkig in het Land van de Onsterfelijkheid, hij sterft ook niet, voor altijd en nog drie dagen.



E I N D E




© Sproosia 2013